Manufactum/ Made by OYA

Manufactum is een groepstentoonstelling in CC De Ververij in Ronse. De tentoonstelling brengt een heel aantal van de projecten en de kunstenaars samen waarmee Made by OYA de afgelopen jaren op een participatieve manier heeft samengewerkt. Made by OYA is een sociaal-artistieke werkplaats in het Gentse Rabot. Ze werken rond zachte materialen. De kunstenaars waarmee ze werkten zijn Louise Delhaye, Daniela Dossi, Naomi Kerkhove, Chris Rotsaert, Kristof Van Gestel, Ada Van Hoorebeke en Shane Waltener. Telkens worden hier in de tentoonstelling de kunstwerken getoond die door de deelnemers van Made by OYA gemaakt zijn in relatie tot het eigen beeldende werk van de uitgenodigde kunstenaar.

De werkmethode en de aard van het werk dat ik met Made by OYA gemaakt heb (en waaraan we samen nog bezig zijn) is volledig ingebed in mijn eigen kunst. Zo zijn hier in de tentoonstelling enkele persoonlijke textiele sculpturen te zien die vertalingen/verschalingen zijn vanuit schetsen uit mijn atelier. Deze driedimensionele schetsen onstonden vanuit een vorm van ‘écriture automatique’. Hiermee bedoel ik dat de vormen niet bedacht zijn, maar eerder toevallig voortgekomen zijn vanuit het ‘maken’. Ik werk bijvoorbeeld binnen mijn praktijk vaak met een vorm van spel, beweging of meditatie waardoor kleine objecten ontstaan. Sommige van de ontstane vormen worden later vertaald naar sculpturen op grotere schaal. Bij het vergroten van die vormen zijn de maat van het menselijke lichaam en de schaal van de architectuur van de tentoonstellingsruimte bepalend. Zo ontstonden Tapijt AM (2015) en AM (2015). Voor het uitvoeren van deze sculpturen deed ik beroep op anderen: AM werd uitgevoerd ism. mijn moeder en voor Tapijt AM vroeg ik Vera Vermeersch de vorm in wol te tuften.

De methodes die ik hierboven beschrijf (het spelen/automatiseren van het proces om tot vormen te komen, het verschalen van die vormen naar grotere objecten op schaal van het lichaam en – vaak – het inschakelen van derden in allerlei vormen van cocreatie voor de productie daarvan) zijn de kern van mijn scheppende artistieke praktijk geworden. Daardoor ben ik de laatste jaren intensief bezig geweest met het opzetten van participatieve methodes om de ander (toeschouwers/deelnemers) zelf op een gelijkaardige manier werk te laten ontwikkelen. De bedoeling daarbij is om de methodes die ik als kunstenaar ontwikkeld heb te vertalen naar methodieken die bruikbaar zijn om op een ervaringsgerichte manier met anderen te werken. Die vertalingen vinden plaats in functie van het overbrengen van de lessen die ik als kunstenaar zelf ervaren heb door het maken van mijn werk. Het is de inzet om de instructie zo te organiseren dat de deelnemers spel en creativiteit kunnen ervaren en zelf op ontdekking kunnen gaan. Daartoe heb ik bijvoorbeeld een vormgenererende tekenmethode gecreëerd. Deze vormgenererende methode vertrekt vanuit het afleiden van tussenvormen tussen dagdaglijkse objecten. Ik zie deze methode als een soort ‘machine’, omdat het tekenen als het ware geautomatiseerd wordt. Het is een systeem dat weliswaar keuzes vereist, maar waarbij toch grotendeels vanuit de actie gewoon vormen ontstaan – zonder al te veel na te denken of tot ‘autonome’ scheppingen te willen komen.

Bij het begin van het project bij Made by OYA werd deze methode op grote vellen papier toegepast met de deelnemers. Zo ontstondt een heel gamma aan abstracte vormen in papier. Deze vormen zijn de patronen geworden die deelnemers van Made by OYA vervolgens hebben gehaakt/gebreid/geweven. Zo zijn een heel aantal kleine ‘schetsen’ ontstaan. Het is de bedoeling om vanuit die kleine textiele schetsen een veertiental Vormfrakken (2015) te genereren. Vormfrakken zijn textiele relationele objecten op maat van het menselijke lichaam. Net als in mijn sculpturale pratkijk is de verschaling van de objecten hier in het werk met Made by OYA een grote opgave. Het proces van verschalen dwingt ons om binnen Made by OYA een textiel onderzoek op te zetten naar de mogelijkheden van vorm/materiaal/techniek. Dit project is nog in volle uitvoering. Een aantal verschalingen zijn opgestart. Een van deze Vormfrakken is echter wel reeds afgewerkt en te zien op deze tentoonstelling. Het is een vorm die gehaakt werd uit repen jeans. Deze Vormfrak gaat hier een dialoog aan met de vormen die binnen mijn eigen praktijk ontstaan zijn.

Speciaal voor deze tentoonstelling is ook een nieuwe tekening gemaakt volgens de vormgenererende methode: Werk mee aan een tekening door gebruik te maken van de vormgenererende methode (2015). Elf participanten uit Ronse zijn op zondag 23 augustus in de ruimte van CC De Ververij komen meewerken. In de tentoonstelling is op twee houten panelen te zien hoe deze deelnemers vanuit het traceren van bestaande objecten op zoek zijn gegaan naar tussenvormen. Vanuit die tussenvormen werd vervolgens verdergewerkt. De methode bestaat uit enkele eenvoudige regels waardoor nieuwe abstracte vormen ontstaan. Tegelijkertijd biedt ze de deelnemers een aanleiding om – tijdens het tekenen – na te denken over vorm en tussenvorm, maar ook over de eigen keuzes die gemaakt worden en vandaaruit over de eigen individualiteit tegenover de groep. In een beeldende taal gebeurt hier wat over het algemeen binnen sociaal-artistieke praktijken de bedoeling is: de grenzen van het eigen ik tegenover de ander en tegenover de groep worden verkend. De deelnemers uit Ronse waren van mening dat dit proces zich in goede verstandhouding voltrokken heeft – over de grenzen van de taal heen. De deelnemers gaven hun tekening/collage een naam: ‘In harmonie/En harmonie/Bobumwa’ (2015). Ik vind het belangrijk dat tijdens het proces van het maken/spelen/ontdekken momenten van reflectie ingebouwd worden. Vandaar dat ik steeds ook vraag een titel aan het werk te geven.

Als zijproject bij Vormfrakken is bij OYA ‘Vocabularium: Drie Boeken’ (2015) ontstaan. In deze drie prachtige textiele boeken vind je een groot deel van de abstracte vormen die ontstaan zijn naar aanleiding van de workshops rond Vormfrakken. Bovendien geven de kleuren, de soorten wol, de technieken, de steken, de uitvoering ervan,… een staalkaart van wat Made by OYA letterlijk in huis heeft. Naast de variëteit in het talige, gesproken vocabularium in het atelier zelf (deelnemers komen uit alle windstreken) staat in deze werkplaats immers een beeldend/technisch vocabularium centraal dat draait rond alles wat met textiel en zachte materialen te maken heeft. De boeken worden gepresenteerd op een tafel uit de werkplaats zelf. Het is een hele ervaring om door de boeken te ‘bladeren’ en je te laten leiden door de vorm, het materiaal, de kleur en de combinaties van de pagina’s.

Wat het participatieve proces betreft van het werken met Made by OYA, heb ik de deelnemers enerzijds veel structuur geboden, maar anderzijds heb ik hen ook heel vrij gelaten. Daardoor is ook veel verantwoordelijkheid op de schouders van de vaste medewerkers van Made by OYA terecht gekomen. Veel beslissingen zijn – samen met de deelnemers – mee door hen genomen. Bij een participatief proces is het steeds belangrijk af te wegen in hoeverre structuur/instructie/richting geboden moet worden, of in hoeverre deelnemers vrij gelaten worden. Omdat ik het hele proces van organisatie over groepsdynamiek over productie over presentatie als onderdeel zie van het participatief werken, heb ik samen met vormgever Raf Vancampenhoudt een sjabloon ontwikkeld om per project een poster te maken waarin een heel aantal van die dynamieken worden opgenomen. In deze tentoonstelling zijn ook twee van die Posters te zien: een voor Vormfrakken bij Made by OYA en een voor de workshop hier in Ronse.

Participatie en emancipatie

Vaak worden processen binnen ‘participatieve projecten’ gezien als een afspiegeling van wat zich op grotere schaal binnen de maatschappij afspeelt. Ik geloof dat zulke processen aanleiding kunnen geven om op een meta-niveau na te denken over wat democratie is. De groepsdynamiek van een kleine groep kan immers overgezet worden naar een grote groep. De opdracht van de democratie is bovendien niet zo veel verschillend van die opdracht waar ik de deelnemers toe uitnodig: ‘Werk samen om iets (een tekening/collage) te maken’. Ik moet daarbij zelf steeds opnieuw zoeken naar de toon en de aard van de manier van instructie geven. De bedoeling is immers dat de deelnemers geprikkeld worden in hun creativiteit maar ook dat er ruimte ontstaat om zelf te experimenteren. Bij Made by OYA heb ik geleerd dat het daarbij belangrijk is dat ik als begeleider soms toch dwingend aanwezig ben en beslissingen stuur – al hoewel ik dat zo veel mogelijk vermijd. Deze ervaring heeft me opnieuw doen nadenken over de manieren waarop machtsrelaties spelen. We kunnen ook dit opnieuw vertalen naar de maatschappij. We mogen niet vies zijn van machtsrelaties. Voor een goed functioneren is het immers noodzakelijk dat ieder zijn eigen functie correct opneemt. Binnen participatieve projecten is het belangrijk dat ik mijn kunstenaarschap opneem – en daarbij weliswaar niet het uiteindelijk doel uit het oog te verlies: samen creëren. Deelnemers laten binnen dat proces hun eigen creativiteit de vrije loop. Soms neemt een van hen een bepaalde verantwoordelijkheid in handen – daartoe aangespoord of op eigen houtje. In zulke processen speelt zich soms een wisselend leiderschap af of een proces waarbij vanuit de groep als geheel richting wordt gekozen. Het is belangrijk daarvoor alert te zijn, en om als kunstenaar de algehele richting van het project in de gaten te houden en zelf de leiding te nemen of de grenzen te tonen als dat nodig is. In een gesprek met een collega die ook participatief werkt, benoemden we dat onlangs op een nogal beeldende manier: het horizontale en het verticale moeten in balans zijn.

De tekenmethode waar ik van vertrok is heel dwingend als methode, maar ze laat toch veel vrijheid en spel toe. Ze stelt de deelnemers in staat even de dwingende vraag ‘Wat zal ik maken/verzinnen? opzij te zetten en de vormen gewoon te laten ontstaan vanuit het doen. Zo worden al doende – en minder al denkend – stappen gezet en beslissingen genomen. Doen is volgens mij een erg belangrijke manier van denken. Niet voor niets is het motto van de participatieve projecten die ik organiseer ‘Knowing by Doing’.

Door de geheel eigen interpretaties, de misverstanden en de autonomie en de eigenheid van de verschillende deelnemers zijn heel uiteenlopende aanzetten voor vormfrakken ontstaan. De interessantste vormfrakken zijn volgens mij die waar ‘vertaalfouten’ optreden; waar door de eigenheid van de deelnemers het uitvoerende van de opdracht verlaten wordt. In de komende maanden zullen deze vormfrakken verder gerealiseerd worden.

Dan speelt opnieuw een interessante vraag: bij wie zal het eigendom van de Vormfrakken liggen? Hierbij aansluitend komt de vraag naar auteurschap bij participatieve projecten. Onlangs hoorde ik in een lezing Thomas Hirschorn hierover iets interessants zeggen. Het model waarbij het auteurschap van een event volgens een taartdiagram wordt verdeeld, was voor hem achterhaald. Een taartdiagram werkt reducerend. Zoveel auteurschap van die + zoveel auteurschap van die levert 100 % auteurschap op. Volgens Hirschorn heeft iedereen die betrokken is 100% auteurschap. Niet alleen hij als organiserende kunstenaar, maar ook alle deelnemers.

Participatie binnen de kunsten

Ik ben ook nog van mening – en hierover wil ik later meer uitgebreid schrijven – dat participatieve projecten op heel andere manieren gelezen kunnen worden dan de emancipatorische projecten waarvoor ze vaak gezien worden. De focus van het emancipatorische/democratische vertrekt vaak vanuit een lezing van zulke projecten als ‘sociaal werk’. Men kan ook vanuit het perspectief van de kunst(enaar) kijken. Dan komen thema’s als omgang met toeval (de participanten brengen het onverwachte binnen), de sociale context als een ‘materiaal’ (sociale relaties als thema van de kunst), ervaringsgericht leren en ervaren van kunst (Bottom Up ipv. Top Down), een gebruikerschap ipv. een toeschouwerschap (A Lexicon of Usership-Stephen Wright), een doorgedreven omgang met context (One place after another-Miwon Kwon), een focus op proces ipv. product, ruime interpretatie van ‘performance’ en ‘scoring’, de verschuiving van een diensten- en producteneconomie naar een ervaringseconomie (waar ervaringen als product behandeld worden),… Veel van deze thema’s zijn terug te vinden in het medium performance en in theorie die over performance geschreven is. Performance wordt bij uitstek gezien als het medium dat vanuit een mengeling van het discursieve en het belichaamde inspeelt op de sociale en de politieke ruimte tussen mensen. In die zin is de overgang naar een meer participatieve praktijk voor mij een overgang naar een meer performatieve praktijk. Plots is immers mijn eigen lichaam voor een groot stuk een tool geworden om met anderen om te gaan.

Door methodes te maken waardoor anderen mijn werk mee kunnen maken en ontwikkelen ondergraaf ik bepaalde noties van autonomie en auteurschap die eeuwenlang deel hebben uitgemaakt van de kunstpraktijk. Ik zie kunst meer als een methode die elke mens kan inzetten in het eigen leven – en minder als een productgerichte praktijk. Ik leun meer aan bij een antropologische manier om naar de maatschappelijke betekenis van kunst te kijken en minder bij een institutionele. Ik stel me de vraag: ‘Leunt een kunst die gezien wordt als een ‘tool’ meer aan bij vormgeving dan bij kunst?’ In ieder geval wil ik de dialoog aanwakkeren en de gewoonte van het  opdelen van kunst/cultuur in low art/high art, lichaam/object, product/proces, … verlaten. Kunst of vormgeving zijn zelf ‘tools’ die de mens inzet om het leven zelf betekenis te geven.

Binnen mijn eigen praktijk is het dan de vraag of ik het maken van methodes tot een eigen methode kan/wil maken? Uiteindelijk ontstaat mijn werk – ook de participatieve methodes – vooral uit zelf te spelen in het atelier. Het opzetten van methodes zit ingebed in mijn eigen praktijk als kunstenaar. In die zin kan ik die methodes niet verzinnen – integendeel: ze doen zich vanuit mijn praktijk voor. In de eerste plaats dient de kunst mijzelf als individu in het vorm- en betekenis geven van mijn eigen leven. Meer nog dan het emanciperen of het participeren van anderen is mijn praktijk een tool voor mezelf om als kunstenaar een plaats te vinden en deel te nemen in de maatschappij.

Kristof